Wrijvingsweerstand (hydrodynamica)

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Grenslaag
  1. Laminaire grenslaag
  2. Overgang
  3. Laminaire of viskeuze sublaag
  4. Loslatingspunt S=vy=0
  5. Losgelaten grenslaag
  6. Turbulente grenslaag

Wrijvingsweerstand RF ontstaat door het langs de scheepshuid stromende water. Door de viscositeit blijven waterdeeltjes aan de huid 'plakken'; de waterdeeltjes nemen dezelfde snelheid aan als de huid. De resulterende schuifspanning op de huid, wordt ervaren als wrijving. Deze huidwrijvingweerstand RFO wordt beïnvloed door het vormeffect op de huidwrijving. De huidwrijvingsweerstand is onderdeel van de totale scheepsweerstand en kan berekend worden. Hierdoor kan bij sleepproeven de gemeten totale weerstand verminderd worden met de berekende wrijvingsweerstand, waarna de restweerstand RR overblijft die bestaat uit drukweerstand RP en golfweerstand RW.

Schuifspanning

Water wordt beschouwd als newtoniaanse vloeistof, waarbij de schuifspanning rechtevenredig toeneemt met de gradiënt van de stroomsnelheid loodrecht op het schuifvlak:

τ=μdvdy

waarbij:

τ de schuifspanning op de stof is (deze ontstaat door de weerstand van de stof tegen het stromen, de "vloeiweerstand");
μ, waarvoor ook wel η voor wordt gebruikt, is de dynamische viscositeit van de stof - deze is bij een newtoniaanse vloeistof een constante;
dvdy is de gradiënt (verandering) van de stroomsnelheid loodrecht op het schuifvlak. Het schuifvlak is het vlak waarover schuif plaatsvindt.

De wrijvingskracht is de som van al deze schuifspanningen over het gehele wrijvingsoppervlak, het nat oppervlak A, waarbij alleen de component die evenwijdig is aan de relatieve beweging meetelt:

RF=AτdAcosα

Grenslaag

Doordat het water aan de huid kleeft, ontstaat een grenslaag, waarbij de relatieve snelheid direct aan de scheepshuid nul is en op toenemende afstand groter wordt tot uiteindelijk de ongestoorde snelheid. De grenslaag is deels laminair en deels turbulent, waarbij de weerstand van de turbulente laag groter is. Waar bij het voorschip sprake is van laminaire stroming, ontstaat verder naar achteren een turbulente stroming. Daar is na een overgang nog sprake van een zeer dunne laminaire of viskeuze sublaag. De overgang van laminaire naar turbulente stroming is te bepalen aan de hand van het getal van Reynolds Re. Dit is vernoemd naar Osborne Reynolds (1842-1912), en luidt:

Re=vLν

waarbij:

v = snelheid [m/s]
L = lengte [m]
ν = kinematische viscositeit van het stromende medium [m2/s]

Bij lage waarden van Re is een stroming laminair, bij hoge waarden turbulent. Het omslagpunt (meestal een omslaggebied) is voor elke geometrie anders.

Bij grote ruwheid of door de scheepsvorm kan loslating optreden, wat leidt tot een toename van de weerstand. Achter het loslatingspunt is sprake van een tegengestelde stroming.

De invloed van de ruwheid is:

RF=CF12ρv02A

waarbij 12ρv02 de stuwdruk is en ρ de dichtheid. Het ITTC heeft de wrijvingsweerstandcoëfficiënt CF voor de correlatie tussen model en schip bepaald als:

CF=0,075(log10Re2)2

Scheepsweerstanden

Sjabloon:Stamboom/start

Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom Sjabloon:Stamboom/eind

Bibliografie