Millereffect

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In de elektronica is het millereffect de verhoging van de effectieve ingangscapaciteit van een inverterende spanningsversterker als gevolg van de versterking van een eventueel aanwezige capacitieve koppeling tussen de ingangs- en uitgangsklemmen. De millercapaciteit is meestal een parasitaire capaciteit die inherent aanwezig is tussen de uitgang en de ingang van actieve versterkerelementen zoals transistors en radiobuizen en is de voornaamste oorzaak voor de verzwakking van de versterkingsfactor bij hoge frequenties. De millercapaciteit werd in 1920 beschreven door de Amerikaanse ingenieur John Milton Miller bij zijn onderzoek van de triode.

Afleiding

De in het rood getekende condensatoren Cgk en Cag worden respectievelijk gevormd door de capaciteit tussen het rooster en de kathode en het rooster en de anode van de triodebuis

Het millereffect is in zijn algemeenheid geldig voor elk versterkingselement, waarin een willekeurige impedantie (meestal parasitair) zorgt voor een koppeling tussen de uitgang en de ingang. We zullen echter het effect hier beschrijven voor het geval van een triodebuis (zie afbeelding) zoals dat oorspronkelijk het geval was.

We veronderstellen dat we te doen hebben met een ideale triodeversterker met versterking 𝐀𝐯. Zolang 1ωCag>>Ra (met ω=2πf) blijft de versterking 𝐀𝐯 ook bij de aanwezigheid van Cag reΓ«el en positief.

De ingangsspanning levert nu twee stromen 𝐈𝟏 door Cgk en 𝐈𝟐 door Cag. De spanning over Cag bedraagt 𝐕𝐒𝐕𝐨=𝐕𝐒+𝐀𝐯𝐕𝐒=(1+𝐀𝐯)𝐕𝐒.

Daarmee wordt

𝐈𝟏=𝐕𝐒jωCgk en
𝐈𝟐=(1+𝐀𝐯)𝐕𝐒jωCag

De totale ingangsstroom wordt dan ook 𝐈=𝐈𝟏+𝐈𝟐=𝐕𝐒jω{Cgk+(1+𝐀𝐯)Cag}=𝐕𝐒jω{Cgk+CM}.

We kunnen dus de invloed van Cag vertolken als een capaciteit CM=(1+Av)Cag parallel aan Cgk. Als Av reΓ«el en positief is, kan deze equivalente ingangscapaciteit vele malen hoger zijn dan Cgk. De capaciteit CM wordt de millercapaciteit genoemd.

Typische waarden voor een triodeversterker zijn: Av=100,Cgk=5pF en Cag=2pF, de ingangscapaciteit is dan Cing=5+(101×2)pF=207pF.

Ook bij moderne actieve componenten moet men rekening houden met het millereffect. Bij bipolaire transistoren wordt de millercapaciteit bepaald door de capaciteit van de gesperde PN-overgang tussen collector en basis. Bij MOS-transistoren wordt ze bepaald door de overlapping van de poortelektrode en het bron- of afvoergebied. Deze parasitaire capaciteiten zijn echter veel kleiner dan deze die we aantreffen in de triodebuis.

Bron

  • Prof. J. Davidse, Grondslagen van de elektronica 1, pagina's 96-97, Prisma-Technica, 1972