Kegelslinger

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een kegelslinger of conische slinger is een slinger met een massa die aan een koord is opgehangen, en die een cirkelvormige beweging maakt, waardoor het koord een kegeloppervlak doorloopt. De constructie is vergelijkbaar met een gewone slinger, maar in plaats van heen en weer te schommelen, beweegt de opgehangen massa met een constante snelheid in een cirkel.

De conische slinger werd voor het eerst bestudeerd door de Engelse wetenschapper Robert Hooke rond 1660 als een model voor de orbitale beweging van planeten. In 1673 berekende de Nederlandse wetenschapper Christiaan Huygens de periode met behulp van zijn nieuwe concept van centrifugale kracht. Later werd een dergelijke slinger gebruikt als een element in enkele mechanische klokken en uurwerken.

Afleiding van de periode

De kegelslinger met zijn fysische elementen

De kegelslinger bestaat in essentie uit een massa m opgehangen aan een massaloze draad met lengte L die een hoek θ maakt met de verticaal. De massa beschrijft met een constante snelheid v en zonder wrijving een cirkel met straal r.

De spankracht T in de draad draagt zorg voor het compenseren van de zwaartekracht Fg=mg en levert tevens de benodigde centripetale kracht Fm=mω2r, die de massa in een cirkelvormige baan houdt en gelijk is in grootte maar tegengesteld in richting aan de centrifugale kracht Fc.

Vectorieel heeft men Fc+Fg+T=0.

  • Projectie op de verticale as geeft mg=Tcosθ
  • Projectie op de horizontale as geeft mv2r=Tsinθ met v=ωr

Deling van de tweede door de eerste vergelijking geeft v2=rgtanθ.

De periode van de slinger is nu gelijk aan de tijd t die de massa nodig heeft om een volledige cirkel te doorlopen en daarmee is t=2πrv. Als men v elimineert uit de laatste twee vergelijkingen krijgt men t2=4π2rgtanθ en hieruit volgt dat t=2πhg, omdat r=htanθ. Met h=L2r2 kan dit ook nog geschreven worden als t=2πL2r2g. In de praktijk kan men de lengte L van de draad en de hoek θ nauwkeurig meten en men zet dan in de formule voor de periode h=Lcosθ zodat deze luidt t=2πLcosθg.