Filterprototype

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Filterprototypes zijn gestandaardiseerde systeemfuncties van laagdoorlaatfilters, met afbreekfrequentie 1 rad/sec. Op deze standaardsysteemfuncties worden transformaties toegepast die de systeemfuncties omzetten in het gewenste type (laagdoorlaat-, hoogdoorlaat-, banddoorlaat- of bandstopfilter) met de gewenste afbreekfrequentie(s). Deze geschaalde systeemfuncties worden dan vergeleken met de reële systeemfunctie van een analoog filter. Uit de confrontatie van de twee systeemfuncties kunnen dan voorwaarden op de componenten (weerstanden, condensatoren en eventueel spoelen) van de reële schakeling gevonden worden. Voorbeelden van prototypes zijn de Butterworth, Bessel-, Elliptische, Tsjebysjev- en Inverse Tjebysjevfamilies.

Concreet gebruik

Een prototype kan worden omgezet in het gewenste doorlaattype met de gewenste afbreekfrequentie(s). Een afbreekfrequentie is de grens tussen een doorlaatband en een stopband. Laagdoorlaat- en hoogdoorlaatfilters hebben één afbreekfrequentie, banddoorlaat- en bandstopfilters hebben twee afbreekfrequenties. Zo ligt bij een banddoorlaatfilter de doorlaatband tussen de twee afbreekfrequenties en de twee stopbanden erbuiten. Bij een bandstopfilter is dat omgekeerd.

Schaling naar laagdoorlaatfilter

Een prototype omvormen naar een laagdoorlaatfilter met afbreekfrequentie ωc gebeurt door de variabele s in de systeemfunctie van het prototype te vervangen door s/ωo:

ssωo

Het laagdoorlaatkarakter blijft daardoor behouden, maar de afbreekfrequentie wordt aangepast tot ωc.

Schaling naar hoogdoorlaatfilter

Een prototype omvormen naar een hoogdoorlaatfilter met afbreekfrequentie ωc gebeurt door de variabele s in de systeemfunctie van het prototype te vervangen door ωo/s:

sωos

Het laagdoorlaatkarakter omgezet in hoogdoorlaat, waarbij de afbreekfrequentie wordt aangepast tot ωc.

Schaling naar banddoorlaatfilter

Een banddoorlaatfilter wordt gekenmerkt door twee afbreekfrequenties ωc1 en ωc2. Men definieert de centrale doorlaatfrequentie ω0 als het logaritmisch gemiddelde van de twee afbreekfrequenties, en de bandbreedte W als hun verschil:

ω0=ωc1ωc2
W=ωc2ωc1

Vervolgens wordt in de systeemfunctie van het prototype de variabele s als volgt vervangen:

ss2+ωo2Ws

Hierbij zal de orde van het systeem verdubbelen.

Schaling naar bandstopfilter

Een bandstopfilter wordt gekenmerkt door twee afbreekfrequenties ωc1 en ωc2. Men definieert de centrale doorlaatfrequentie ωo als het logaritmisch gemiddelde van de twee afbreekfrequenties, en de bandbreedte W als hun verschil:

ωo=ωc1.ωc2
W=ωc2ωc1

Vervolgens wordt in de systeemfunctie van het prototype de variabele s als volgt vervangen:

sWss2+ωo2

Hierbij zal de orde van het systeem verdubbelen.

Voorbeeld

Bepaal de systeemfunctie van een tweede-ordebanddoorlaat filter met afbreekfrequenties 5 kHz en 12 kHz, gebaseerd op een Butterworthprototype. Omdat de orde van het systeem zal verdubbelen tijdens de schaaltransformatie moet men vertrekken van een prototype van orde 1. Het Butterworthprototype van orde 1 heeft systeemfunctie:

B1(s)=1s+1

De afbreekfrequenties in rad/s zijn respectievelijk:

ωc1=31416rad/s;ωc2=75398rad/s

zodat:

ωo=48669rad/s;W=43982rad/s

Door de bovenvermelde schaling voor een banddoorlaatfilter op het Butterworthprototype toe te passen vindt men de geschaalde systeemfunctie:

Hsch(s)=1.856807669105s4.2217159831010s2+1.856807669105s+1

Deze systeemfunctie beschrijft duidelijk een banddoorlaatfilter, want ze heeft een nul in s = 0 en een nul op oneindig. Ze heeft tevens de gewenste afbreekfrequenties. De systeemfunctie van een 2de orde passief LRC-doorlaatfilter is:

Hreal(s)=RCsLCs2+RCs+1

Hierbij worden teller en noemer door een gelijke factor gedeeld, opdat de constante term van de noemer 1 wordt. Daardoor is identificatie van de twee systeemfuncties direct mogelijk omdat de constante termen in beide noemers gelijk zijn. De weerstand, condensator en spoel moeten dus voldoen aan de eisen:

LC=4.2217159831010
RC=1.856807669105