Cosinusregel

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Driehoek

In de goniometrie beschrijft de cosinusregel een relatie tussen de drie zijden van een driehoek en de cosinus van een hoek van die driehoek.

De cosinusregel kan voor de driehoek in de figuur voor elk van de zijden worden geformuleerd:

c2=a2+b22abcosγ

dus ook:

a2=b2+c22bccosα
b2=c2+a22cacosβ

Omgevormd naar de hoek wordt dit:

α=arccos(b2+c2a22bc)
β=arccos(a2+c2b22ac)
γ=arccos(a2+b2c22ab)

De regel kan met de congruentiestellingen voor driehoeken en de sinusregel worden gebruikt om de lengtes van de zijden en de hoeken in een driehoek te berekenen. Is γ een rechte hoek, dus 90°, dan is cosγ=0 en vervalt de cosinusregel tot c2=a2+b2, de stelling van Pythagoras. De cosinusregel is in feite gelijk aan de projectiestelling.

Toepassingen

De cosinusregel kan onder andere worden toegepast

Congruentiestellingen voor een driehoek

De congruentiestellingen ZZZ zijde-zijde-zijde en ZHZ zijde-hoek-zijde geven aan, dat een driehoek volledig bepaald is, zodra alle drie de zijden ZZZ of twee zijden en de daardoor ingesloten hoek ZHZ bekend zijn. Het is met de cosinusregel in deze gevallen mogelijk met deze drie gegevens in het geval van ZZZ de drie hoeken en in het geval van ZHZ de lengte van de derde zijde te berekenen en met behulp van de sinusregel de twee andere hoeken te berekenen.

Als er alleen een zijde en twee hoeken, de congruentiestellingen ZHH of HZH, of twee zijden en de tegenoverliggende hoek van de grootste zijde, congruentiestelling ZzH, bekend zijn, kan men eerst een van de ontbrekende hoeken met de sinusregel berekenen, waarna ook de derde hoek bekend is. De som van de drie hoeken in een driehoek is gelijk aan 180°. Afsluitend kan men de cosinusregel toepassen om de derde zijde te bepalen.

Bewijs

Er bestaan verschillende bewijzen van de cosinusregel. Er worden er hier drie genoemd.

Directe afleiding

afbeelding bij de uitleg

Vanuit C is de loodlijn d neergelaten op de zijde c. Zoals men in de figuur kan zien, verdeelt de loodlijn d de driehoek in twee rechthoekige driehoeken. Volgens de stelling van Pythagoras geldt:

b2=d2+e2

en

a2=d2+(ce)2

Eliminatie van d2 geeft:

a2=b2+c22ce

Verder is:

cos(α)=e/b, waaruit volgt e=bcos(α)

Beide formules gecombineerd geeft:

a2=b2+c22bccos(α)

Vectorformulering

Beschouw de zijden van de driehoek als vectoren en noem:

𝐚=BC, 𝐛=AC, 𝐜=AB

Dan is:

𝐜=𝐛𝐚,

zodat met het inwendige product van twee vectoren volgt:

c2=𝐜2=𝐛𝐚2=(𝐛𝐚)(𝐛𝐚)=𝐛2+𝐚22 𝐚𝐛=b2+a22abcosγ

De laatste vergelijking volgt uit de definitie van de hoek tussen twee vectoren.

Vergelijking van oppervlakten

Een ander bewijs gaat door vergelijking van oppervlakten. Denk daarbij aan tangram. We moeten onderscheid maken in het geval met scherpe hoek γ en het geval met stompe hoek γ. Beide mogelijkheden worden met een figuur geïllustreerd.

Sjabloon:Center
Geval met scherpe hoek γ

Een zevenhoek is verdeeld in:

  • de roze oppervlakten a2, b2 links en 2abcosγ en c2 rechts
  • de driehoek ABC in het blauw
  • grijze hulpdriehoeken alle congruent met driehoek ABC.

Uit vergelijking van de oppervlakten links en rechts blijkt:

a2+b2=c2+2abcosγ

waaruit de cosinusregel volgt.

Sjabloon:Center
Geval met stompe hoek γ

Een zeshoek is verdeeld in:

  • de roze oppervlakten a2, b2 en 2abcosγ links en c2 rechts
  • twee keer in het blauw met driehoek ABC congruente driehoeken

Uit vergelijking van de oppervlakten links en rechts volgt direct de cosinusregel:

a2+b22abcosγ=c2

Sjabloon:Commonscat