Aanliggend

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bestand:Aanliggend1.png
fig. 1. Hoek α en hoek β met hoekpunt S zijn aanliggende hoeken.

Het woord aanliggend wordt in de meetkunde gebruikt om de positie van een meetkundig object zoals een hoek ten opzichte van een ander meetkundig object te beschrijven.

Voorbeelden

Hoek aanliggend aan een hoek

Twee hoeken heten aanliggend indien ze het hoekpunt en een been gemeenschappelijk hebben, waarbij verder de andere benen van die hoeken aan verschillende kanten van het gemeenschappelijk been liggen (zie figuur 1).

Bestand:Aanliggend2.png
fig. 2. Hoek α en hoek β met hoekpunt S zijn nevenhoeken.

Liggen de niet-gemeenschappelijke benen van twee aanliggende hoeken in elkaars verlengde, dan heten die hoeken nevenhoeken. Hoeken die elkaars nevenhoek zijn, zijn samen 180 (zie figuur 2).

Voorbeeld. Stelling: Een buitenhoek van een driehoek ABC is gelijk aan de som van de beide niet-aanliggende binnenhoeken van die driehoek.
Bewijs. De buitenhoek van hoek A en hoek A zelf zijn nevenhoeken: samen zijn ze 180. De som van de hoeken A,B,C in de driehoek is ook gelijk aan 180. Dus: buitenA=B+C. En de hoeken B en C zijn de niet-aanliggende (de niet aan hoek A aanliggende) binnenhoeken van hoek A.

Hoek aanliggend aan een zijde

In een driehoek ABC heten de hoeken A,B aanliggende hoeken van de zijde AB, de hoeken B,C de aanliggende hoeken van de zijde BC en de hoeken C,A de aanliggende hoeken van de zijde CA.

Voorbeeld. Indien twee driehoeken een zijde gelijk hebben en de aanliggende hoeken van die zijde in de ene driehoek gelijk zijn aan de aanliggende hoeken in de andere driehoek, dan zijn die driehoeken congruent (HZH).

Zijde aanliggend aan een hoek

In een driehoek ABC heet de zijde AB een aanliggende zijde van hoek A, en ook een aanliggende zijde van hoek B. Overeenkomstige definities gelden voor de zijden BC en CA van die driehoek. Zijde BC heet de overstaande zijde van A.

Voorbeeld. Is van een driehoek een hoek en de beide aanliggende zijden van die hoek in grootte en in ligging gegeven, dan is die driehoek met passer en liniaal te construeren (ZHZ).

In een in B rechthoekige driehoek ABC is de zijde AB de aanliggende rechthoekszijde van de hoek A en de zijde BC de aanliggende rechthoekszijde van hoek C. Zijde AC is de overstaande rechthoekszijde van hoek B.

Voorbeeld. De tangens van een scherpe hoek in een rechthoekige driehoek is gelijk aan de lengte van de overstaande gedeeld door de lengte van de aanliggende rechthoekszijde van die hoek.
Bestand:Aanliggend3.png
fig. 3. Aanliggende prisma's in een kubus

Aanliggende veelvlakken

Twee veelvlakken heten aanliggend, indien die veelvlakken een zijvlak gemeenschappelijk hebben én die veelvlakken aan verschillende kanten van dat gemeenschappelijke zijvlak liggen.

Voorbeeld. Zie figuur 3. In de kubus ABCD.EFGH zijn ABD.EFH en BCD.FGH twee prisma's die het (zij)vlak BDHF gemeenschappelijk hebben. Deze prisma's zijn dus, gezien hun ligging ten opzichte van het vlak BDHF, aanliggende veelvlakken.

Bronnen

  • Sjabloon:Aut: Meetkunde, eerste deel. Groningen: J.B. Wolters, 10e druk, 1956; pp. 26-27.
  • Sjabloon:Aut: Planimetrie I. Groningen: J.B. Wolters, 9e druk, 1965; pp. 10-11, pag. 26.
  • Sjabloon:Aut: Leerboek der stereometrie. Groningen: P. Noordhoff N.V., 8e druk, 1934; pag. 134.
  • Woordenlijst van de Nederlandsche wiskundige vaktaal. Hasselt (B): Vlaamschen Leeraarsbond O.M.O., 3e druk 1938; pp. 33-35.