Clebsch-Gordan-coëfficienten

Uit testwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In de natuurkunde zijn de Clebsch-Gordan-coëfficienten, of CG-coëfficiënten, verzamelingen van getallen, die onder de wetten van de kwantummechanica tevoorschijn komen bij het koppelen van twee impulsmomenten.

CG-coëfficienten worden in de representatietheorie gebruikt, vooral met compacte Lie-groepen. De CG-coëfficienten geven de expliciete directe som decompositie van het tensorproduct van twee onherleidbare representaties (irreps) van de rotatiegroep in gevallen, waarin de getallen en typen onherleidbare representaties op abstract niveau al bekend zijn. De CG-coëfficienten danken hun naam aan de Duitse wiskundigen Alfred Clebsch (1833-1872) en Paul Gordan (1837-1912) die in de negentiende eeuw met een soortgelijk probleem in de invariantentheorie werden geconfronteerd.

In termen van de klassieke wiskunde kunnen CG-coëfficiënten, of althans degenen, die gekoppeld zijn aan de groep SO(3), directer worden gedefinieerd door middel van formules voor het vermenigvuldigen van sferische harmonischen. De toevoeging van spins in kwantummechanische termen kan rechtstreeks worden afgelezen uit deze aanpak. De onderstaande formules maken gebruik van de bra-ketnotatie van de Britse natuurkundige Paul Dirac.

Er zijn tabellen met de numerieke waarden van de Clebsch-Gordan-coëfficienten.

Clebsch-Gordan-coëfficienten

Clebsch-Gordan-coëfficienten zijn de expansiecoëfficienten van de eigentoestanden van het totale impulsmoment in een ongekoppelde tensorproductbasis.

Hieronder worden deze CG-coëfficienten precies gedefinieerd door de definitie van impulsmomentoperatoren, impulsmomenteigentoestanden en het tensorproduct van deze impulseigentoestanden.

Uit deze formele definitie van het impulsmoment kunnen recursierelaties voor de CG-coëfficienten worden gevonden. Om numerieke waarden voor de CG-coëfficienten te vinden moet er een faseconventie worden gekozen. In de rest van dit artikel wordt de faseconventie van Condon en Shortley gebruikt.

Impulsmomentoperatoren

Impulsmomentoperatoren zijn Hermitische operatoren jx, jy, en jz die voldoen aan de commutatierelaties

[jk,jl]=jkjljljk=imεklmjm,waarbijk,l,m(x,y,z)

Met εklm de antisymmetrische tensor. Samen vormen deze drie operatoren een vectoroperator:

𝐣=[jx,jy,jz]

Zo kan men het inproduct van 𝐣 met zichzelf definiëren:

𝐣2=jx2+jy2+jz2.

En definiëren we de ladder operatoren:

j±=jx±ijy.

Eigentoestanden van impulsmomentoperatoren

Uit bovenstaande definities volgt dat 𝐣2 commuteert met jx, jy en jz

[𝐣2,jk]=0 for k=x,y,z.

Hieruit volgt dat 𝐣2 en jz een simultane set eigenfuncties hebben. Uit de definities volgt dat de enige mogelijke eigenwaarden worden gegeven door

𝐣2|jm=2j(j+1)|jmj=0,12,1,32,2,jz|jm=m|jmm=j,j+1,,j.

De ladder operatoren verhogen en verlagen de waarde van m

j±|jm=C±(j,m)|jm±1

met

C±(j,m)=j(j+1)m(m±1)=(jm)(j±m+1).

De factor C±(j,m) ligt op een fasefactor na vast. De keuze die hier aangehouden wordt is in overeenstemming met faseconventie van Condon en Shortley. De eigentoestanden zijn orthogonaal en kunnen genormeerd worden gekozen:

j1m1|j2m2=δj1,j2δm1,m2.

Tensorproductruimte

Zij V1 de 2j1+1 dimensionale vectorruimte opgespannen door

|j1m1,m1=j1,j1+1,j1

en V2 de 2j2+1 dimensionale vectorruimte opgespannen door

|j2m2,m2=j2,j2+1,j2.

Het tensorproduct van de ruimten, V12V1V2, heeft een (2j1+1)(2j2+1) dimensionale ongekoppelde basis

|j1m1|j2m2|j1m1|j2m2,m1=j1,j1,m2=j2,j2.

Impulsmomentoperatoren werkend op V12 zijn gedefinieerd door

(ji1)|j1m1|j2m2(ji|j1m1)|j2m2

en

(1ji)|j1m1|j2m2|j1m1ji|j2m2voori=x,y,z.

De totaal impulsmomentoperator is gedefinieerd door

Ji=ji1+1jivoori=x,y,z.

De componenten van de totaal impulsmoment operator voeldoen aan de commutatierelaties

[Jk,Jl]=iϵklmJm,waark,l,m(x,y,z).

Hieruit volgt dus dat de totaal impulsmoment operator daadwerkelijk een impulsmoment operator is, en dat zijn mogelijke eigenwaarden en eigentoestanden gegeven worden door

𝐉2|JM=2J(J+1)|JMJz|JM=M|JM,voorM=J,,J.

Het aantal van totaal impulsmomenteigentoestanden is gelijk aan de dimensie van V12

J=|j1j2|j1+j2(2J+1)=(2j1+1)(2j2+1).

De totaal impulsmomenttoestanden vormen een orthonormale basis van V12

J1M1|J2M2=δJ1J2δM1M2.

Formele definitie van Clebsch-Gordan-coëfficienten

De totale impulsmomenttoestanden kunnen worden geëxpandeerd door gebruik te maken van de volledigheidsrelatie in de ongekoppelde basis

|JM=m1=j1j1m2=j2j2|j1m1j2m2j1m1j2m2|JM

De expansiecoëfficienten j1m1j2m2|JM worden Clebsch-Gordan-coëfficienten genoemd.

Door het toepassen van de operator

Jz=jz1+1jz

aan beide kanten van de vergelijking kan men laten zien dat de Clebsch-Gordan-coëfficienten kunnen alleen ongelijk aan nul zijn als

M=m1+m2.

Aangezien de maximale projectie gegeven wordt door M=j1+j2 volgt uit de kwantisatie van impulsmoment dat Jj1+j2. Naast alle 2J+1 toestanden met J=j1+j2 kan men dit argument herhalen voor J=j1+j21. Dit gaat echter niet eeuwig door, en met een beetje boekhouden vinden we dat moet gelden

|j1j2|Jj1+j2.

Dit zijn de zogenaamde driehoeks relaties.

Recursierelaties

De recursierelaties werden ontdekt door de natuurkundige Giulio Racah. Toepassen van de totale impulsmomentladderoperatoren

J±=j±1+1j±

aan de linker kant van de vergelijking levert

J±|(j1j2)JM=C±(J,M)|(j1j2)JM±1=C±(J,M)m1m2|j1m1|j2m2j1m1j2m2|JM±1.

Als men dezelfde operatoren aan de rechterkant toepast levert dit

J±m1m2|j1m1|j2m2j1m1j2m2|JM=m1m2[C±(j1,m1)|j1m1±1|j2m2+C±(j2,m2)|j1m1|j2m2±1]j1m1j2m2|JM=m1m2|j1m1|j2m2[C±(j1,m11)j1m11j2m2|JM+C±(j2,m21)j1m1j2m21|JM].

op, waarbij

C±(j,m)=j(j+1)m(m±1).

Combinieert men deze resultaten met elkaar, levert dit de recursierelaties op voor de Clebsch-Gordan-coëfficienten

C±(J,M)j1m1j2m2|JM±1=C±(j1,m11)j1m11j2m2|JM+C±(j2,m21)j1m1j2m21|JM.

Neemt men de C+ en M=J krijgt men

0=C+(j1,m11)j1m11j2m2|JJ+C+(j2,m21)j1m1j2m21|JJ.

In de Condon en Shortley faseconventie is de coëfficient j1j1j2Jj1|JJ reëel en positief. Door gebruikmaken van de laatste vergelijking kan men alle andere CGC j1m1j2m2|JJ bepalen. De normalizatie is bepaald door de eis dat de som van de kwadraten, die met de norm van de toestand correspondeert state |(j1j2)JJ, gelijk aan een moet zijn.

De andere coëfficient (C) in de recursierelatie kan worden gebruikt om alle CGC te vinden met M=J1. Door iteratief gebruik van deze vergelijking kan men alle coëfficienten bepalen.

Deze manier om de CGC te vinden, wijst erop dat ze allemaal reëel zijn, in de Condon en Shortley conventie.

Orthogonaliteit

Door de faseconventie van Condon en Shortley zijn de CGC reëel en dus

JM|j1m1j2m2j1m1j2m2|JM

Dan vinden we, met de resolutie van de identiteit 1x|xx|, de relaties

J=|j1j2|j1+j2M=JJj1m1j2m2|JMJM|j1m1j2m2=j1m1j2m2|j1m1j2m2=δm1,m1δm2,m2

en

m1m2JM|j1m1j2m2j1m1j2m2|JM=JM|JM=δJ,JδM,M.

Dit heeft tot gevolg dat de relatie

|(j1j2)JM=m1=j1j1m2=j2j2|j1m1j2m2j1m1j2m2|JM

kan worden geïnverteerd. Dit geeft

|j1m1j2m2=J=|j1j2|j1+j2M=JJ|(j1j2)JMj1m1j2m2|JM.

Speciale gevallen

Voor J=0 worden de CGC gegeven door

j1m1j2m2|00=δj1,j2δm1,m2(1)j1m12j2+1.

Voor J=j1+j2 en M=J hebben we

j1j1j2j2|(j1+j2)(j1+j2)=1.

Voor j1=j2=J/2 en m2=m1 hebben we

j1m1j1m1|2j10=(2j1)!2(j1m1)!(j1+m1)!(4j1)!.

Voor j1=j2=m1=m2 hebben we

j1j1j1j1|J0=(2j1)!2J+1(J+2j1+1)!(2j1J)!.

Symmetrie-eigenschappen

j1m1j2m2|JM=(1)j1+j2Jj1m1j2m2|JM=(1)j1+j2Jj2m2j1m1|JM=(1)j1m12J+12j2+1j1m1JM|j2m2=(1)j2+m22J+12j1+1JMj2m2|j1m1=(1)j1m12J+12j2+1JMj1m1|j2m2=(1)j2+m22J+12j1+1j2m2JM|j1m1

Relatie met 3-jm-symbolen

CGC zijn uit te drukken in 3-jm-symbolen

j1m1j2m2|j3m3=(1)j1j2+m32j3+1(j1j2j3m1m2m3),

en de inverse relatie

(j1j2j3m1m2m3)(1)j1j2m32j3+1j1m1j2m2|j3m3.

De 3-jm-symbolen hebben een hogere symmetrie.

Relatie met Wigner-D-matrices

02πdα0πsinβdβ02πdγDMKJ(α,β,γ)Dm1k1j1(α,β,γ)Dm2k2j2(α,β,γ)=8π22J+1j1m1j2m2|JMj1k1j2k2|JK.

Andere eigenschappen

m(1)jmjmjm|J0=2j+1δJ0


Zie ook

Literatuur

Bron